×

We use cookies to help make LingQ better. By visiting the site, you agree to our cookie policy.


image

Woord voor woord, Woord voor woord - les 10

Woord voor woord - les 10

hallo. welkom bij woord voor woord.

dit is les 10. boodschappen doen.

ik doe boodschappen.

ik doe boodschappen bij de supermarkt.

ik doe boodschappen.

ik koop eten.

ik koop kool. de kool.

ik koop vis. de vis.

ik koop kaas. de kaas.

ik koop meel. het meel.

ik koop eten. kaas, kool, vis, en meel.

ik koop drinken.

ik koop cola. ik koop melk.

ik koop drinken.

ik koop cola en melk. ik doe boodschappen.

ik doe boodschappen in de supermarkt.

de boodschappen liggen in de kar.

de kar. de boodschappenkar.

de kaas ligt in de kar.

het meel ligt in de kar.

de kool ligt in de kar.

de vis ligt in de kar.

de kaas, het meel, de kool, en de vis liggen in de kar.

de boodschappen liggen in de kar.

de boodschappen zitten in de tas.

ik koop meel. ik koop kool.

ik koop kaas.

ik koop vis. het meel.

de kool. de kaas.

de vis.

wat kost het meel?

het meel kost 90 cent.

het meel kost 90 cent. is dat duur?

is dat veel?

nee. dat is niet veel.

mee is niet duur.

wat kost de kool?

de kool kost één euro 10. 1 euro 10.

is dat duur? nee. dat is niet duur.

dat is niet veel.

de kool is niet duur.

wat kost de kaas?

de kaas kost 5 euro 10. 5 euro 10.

is dat duur? is dat veel?

ja. dat is veel.

de kaas is duur. en de vis? is de vis duur?

even kijken.

de vis kost 4 euro 50.

de vis kost 4 euro 50.

dat is veel. de vis is duur. ik eet. ik eet vis.

ik vind vis lekker.

en jij? vindt jij vis lekker?

vindt rick vis lekker?

ik weet het niet.

jij weet het niet.

ik weet het niet. jij weet het ook niet.

ik ga het vragen.

rick, vind jij vis lekker?

nee ik vind vis niet lekker.

rick vind vis niet lekker. nu weet ik het.

jij weet het ook. rick vindt vis niet lekker.

ik vind vis lekker.

ik eet vis.

ik eet vis en ik eet kool. ik eet vis met kool.

ik vind vis lekker. ik vind kool ook lekker.

en jij? vind jij kool lekker?

vindt rick kool lekker? ik weet het niet. wat denk jij?

ik denk... ik denk vindt rick kool lekker?

ik weet het niet. ik ga het vragen.

ik vraag het aan rick.

rick, vind jij kool lekker?

nee, ik vind kool niet lekker.

rick vindt kool niet lekker.

hij vindt vis niet lekker.

hij vindt kool ook niet lekker. nu weet ik het.

hij vindt kool niet lekker. ik vind vis en kool lekker.

en jij? vindt jij vis en kool lekker?

hallo. ik ben mirjam. ik ben docent.

ik ben docent op het alfa-college.

wie ben ik?

ik ben mirjam. wie ben ik?

ik ben de docent. wie ben jij? wie is dat?

dat is rick.

rick, wie is dat?

dat is jouw man.

ja. dat weet jij. dat is mijn man.

wie – wie ben jij? wie is dat?

wie ben ik? wie

wat – wat is dat?

dat is de kaas. wat is dat?

dat is de kar. wat? de kar.

wie? mijn man. wat – wie

mirjam, wat ga je doen?

wat denk je?

ik weet het niet.

ik ga boodschappen doen.

dit was les tien.

tot de volgende les


Woord voor woord - les 10

hallo. welkom bij woord voor woord.

dit is les 10. boodschappen doen. this is lesson 10. grocery shopping.

ik doe boodschappen.

ik doe boodschappen bij de supermarkt.

ik doe boodschappen.

ik koop eten. I buy food.

ik koop kool. de kool. I buy boil the cabbage

ik koop vis. de vis.

ik koop kaas. de kaas.

ik koop meel. het meel. I buy flour. the flour.

ik koop eten. kaas, kool, vis, en meel.

ik koop drinken.

ik koop cola. ik koop melk.

ik koop drinken.

ik koop cola en melk. ik doe boodschappen.

ik doe boodschappen in de supermarkt.

de boodschappen liggen in de kar. the groceries are in the cart.

de kar. de boodschappenkar.

de kaas ligt in de kar.

het meel ligt in de kar.

de kool ligt in de kar.

de vis ligt in de kar.

de kaas, het meel, de kool, en de vis liggen in de kar.

de boodschappen liggen in de kar.

de boodschappen zitten in de tas. the groceries are in the bag.

ik koop meel. ik koop kool.

ik koop kaas.

ik koop vis. het meel.

de kool. de kaas.

de vis.

wat kost het meel?

het meel kost 90 cent.

het meel kost 90 cent. is dat duur?

is dat veel? is that a lot?

nee. dat is niet veel.

mee is niet duur. along is not expensive.

wat kost de kool?

de kool kost één euro 10. 1 euro 10.

is dat duur? nee. dat is niet duur.

dat is niet veel.

de kool is niet duur.

wat kost de kaas?

de kaas kost 5 euro 10. 5 euro 10.

is dat duur? is dat veel?

ja. dat is veel.

de kaas is duur. en de vis? is de vis duur?

even kijken. have a look.

de vis kost 4 euro 50.

de vis kost 4 euro 50.

dat is veel. de vis is duur. ik eet. ik eet vis.

ik vind vis lekker. I like fish.

en jij? vindt jij vis lekker? And you? do you like fish?

vindt rick vis lekker?

ik weet het niet. do not know.

jij weet het niet. you do not know.

ik weet het niet. jij weet het ook niet.

ik ga het vragen. I'm going to ask.

rick, vind jij vis lekker?

nee ik vind vis niet lekker.

rick vind vis niet lekker. nu weet ik het.

jij weet het ook. rick vindt vis niet lekker.

ik vind vis lekker.

ik eet vis.

ik eet vis en ik eet kool. ik eet vis met kool.

ik vind vis lekker. ik vind kool ook lekker.

en jij? vind jij kool lekker?

vindt rick kool lekker? ik weet het niet. wat denk jij?

ik denk... ik denk vindt rick kool lekker?

ik weet het niet. ik ga het vragen.

ik vraag het aan rick.

rick, vind jij kool lekker?

nee, ik vind kool niet lekker.

rick vindt kool niet lekker.

hij vindt vis niet lekker.

hij vindt kool ook niet lekker. nu weet ik het.

hij vindt kool niet lekker. ik vind vis en kool lekker.

en jij? vindt jij vis en kool lekker?

hallo. ik ben mirjam. ik ben docent.

ik ben docent op het alfa-college. I am a teacher at the alpha college.

wie ben ik? Who am I?

ik ben mirjam. wie ben ik?

ik ben de docent. wie ben jij? wie is dat?

dat is rick.

rick, wie is dat?

dat is jouw man.

ja. dat weet jij. dat is mijn man.

wie – wie ben jij? wie is dat?

wie ben ik? wie

wat – wat is dat?

dat is de kaas. wat is dat?

dat is de kar. wat? de kar.

wie? mijn man. wat – wie

mirjam, wat ga je doen? Miriam, what are you going to do?

wat denk je? what do you think?

ik weet het niet.

ik ga boodschappen doen.

dit was les tien.

tot de volgende les